Parijs – The Days After

DSCF1266
De eerste knipsels voor het toneelstuk

Daar rende ik, over Rotterdam Centraal. Wie had ooit gedacht dat (behalve dat dat station ooit af zou komen) ik daar voor een stelletje schrijvers de trein zou proberen bij te houden. Maar we renden, Frank en ik, hard, terwijl de Amsterdamse delegatie schrijvers langzaam veranderde in Playmobil poppetjes tot zij onzichtbaar waren.

Het afscheid viel op z’n zachts gezegd zwaar. Drie peuken en een biertje bij thuiskomt hielpen niet en ook uit doffe ellende het bed opzoeken troostte nauwelijks. Ik maakte voor mijzelf een Paris-tape met nummers die ik had geluisterd en nummers waarop we hadden gedanst in het park. De romantiek voor mijn eigen leed was op z’n zachtst gezegd kitscherig te noemen. Terwijl Kate Bush – Wuthering Heights door mijn boxen schalt, dein ik (vervaarlijk snel uit balans) mee en pak met sierlijke bewegingen mijn tas uit. Nadat Parijs tape 1 anderhalve dag later grijsgedraaid is en het letterlijk niet meer wilt doen, maak ik Parijs tape 2, een vrijer geïmproviseerd, maar minstens zo passende soundtrack van de reis. Daar ga ik, deze keer de was opvouwend, The Smiths – Heaven Knows I’m Miserable Now en nog steeds zit ik met anderhalve hersenhelft in Parijs. Overduidelijk in complete staat van ontkenning.

Buiten hoor ik de stemmen van de schrijvers, als ik kijk zijn ze het niet. Scheuten pubertijd, totale desillusie en chronische moeheid; een combinatie waar je u tegen zegt. Als iemand mij vraagt hoe het was, schiet ik in de lach. Er valt weinig anders over te zeggen dan hallucinant en dan is toch het cirkeltje weer rond. Met dat woord begonnen we de week, tijdens de avond met David van Reybrouck, over democratie, Parijs en wat al niet meer. Hallucinant.

We speelden, Parijs maakte ons egocentrisch. Op een gegeven moment besloten we collectief aan de mensen thuis te denken, omdat ze zo weinig mentale aandacht hadden gehad van ons. Ik heb geen seconde aan mijn vissen gedacht, geen minuut aan hoe het weer in Nederland zou zijn en zeker niet of ik een of ander festival aan het missen was. The Fear Of Missing Out concentreerde zich volledig op dat ene stukje Parijs dat wij bezetten. Een decadent fort met aan de randen flessen wijn, mooie woorden, goedkope cider, worst en hier en daar een rookslinger van een sigaret. In het fort was het ronduit goed.

Nu het fort weg is vraagt men mij dus hoe het was. In het fort, met het fort, hoe we het fort gemaakt hadden en waarvan. Er zijn wat hoogtepunten die ik kan vertellen: lunchen bij Septime voor 80 euro de man. Koken voor de hele groep met Hiske, behalve een vaardig kok, een bevlogen schrijver over voedsel. Een anti-homohuwelijk activist interviewen, een lesbisch voetbaltoernooi bijwonen, eten met een vriendinnetje uit NL en doen alsof je in Parijs woont, honderddertig keer met de metro gaan en een fotograaf interviewen over zijn expositie. Maar dat zijn slechts de concrete gebeurtenissen.

Oesters eten met een kater van jewelste, voetballen met champagnekurken en in ‘sjiek’ naar een hipsterfeest op een buitenterras aan de Seine om de weken af te sluiten. Terwijl iemand Wasteland uit zijn hoofd scandeerde, zong de rest Wonderwall van Oasis. We liepen over straat, met hakken en in pak en droegen ontkurkte flessen brut in onze handen. Vlak bij de weg lag een clochard met een halfvolle fles rose versleten tegen een elektriciteitskastje aan. We zagen hem allemaal, maar konden niets meer doen. Parijs had ons Parijs gemaakt. Toch schreven we het allemaal op.

Het beste waren niet de decadente dingen, maar met wie en hoe ze tot stand kwamen. De sfeer was nauwelijks te verpesten, op de nodige inkakker hier en daar na, maar daar hielpen we elkaar wel weer bovenop (met een groene peper of Madame Jeanette).

Al met al was het behoorlijk onbeschrijflijk en existentialistisch (met de nadruk op geen crisis), maar er moeten toch twee teksten komen te liggen. Al met al heb ik besloten een toneelstuk te gaan schrijven. Het werd wel weer eens tijd na een jaar de pen te hebben laten liggen. Retespannend, dat wel, maar de knipsels liggen al weer door mijn kamer verspreid. Citaten hier en daar, oude schriftjes doorbladeren. Ik weet gelukkig weer waarom ik hier ooit zo gelukkig van werd. Ik weet ook waarom ik er mee was gestopt: de rest van de wereld kan me gestolen worden (egocentrisch naar gevoel) en ik heb constant buikpijn (nog naarder gevoel).

Conclusie: na een onvergetelijke en bijzondere reis, mogelijk gemaakt door deBuren en Maison Biermans-Lapotre, trek ik mij terug om te werken in de bossen van Buitenkunst. Aldaar hoop ik dat alles langzaam weer een plekje in de realiteit krijgt zodat ik niet meer zo pathetisch ben en zo’n intens kwijlerig gelukkig als ik voor de tiende, elfde, twaalfde keer de foto’s bekijk. En dat er dus een stuk ligt. Van ondergetekende. Wie had dat gedacht?

Advertenties