Op mijn zolder staat geen modeltrein

Midden in Utrecht staat een mooi winkeltje, om de hoek van het Stadhuisplein, vol met modeltreinen. Recht tegenover die winkel, nog een winkel, bomvol met modeltreinen. In beide etalages brand altijd licht en de modeltreinen staan charmant opgesteld. Ik fiets vaak langs de winkels en moet dan altijd even glimlachen. Hoewel ik in de vlugheid nooit iemand de winkels in en uit zie gaan, zijn ze altijd open, al zeven jaar langen. Er moeten dus veel mensen zijn die de treinen kopen. Ik glimlach even, omdat het hebben van modeltreinen misschien soms net zo’n onbegrepen hobby is, als mijn hobby: politiek. Men noemt beide hobby’s vaak stoffig, suf en een beetje apart. Toch zouden we wat vaker moeten proberen ons te verplaatsen in die hobby van die ander… Een paar keer ben ik naar binnen geweest en was bijna in de verleiding een trein te kopen. Een netwerk aan sporen, treinen in alle soorten en maten en de mogelijkheid zelf een soort bewegend utopietje te maken. Helemaal niet stoffig, suf of apart. Eigenlijk best logisch en vooral enorm vermakelijk en leuk om naar te kijken…

Op mijn zolder staat geen modeltrein. Nu heb ik geen zolder, dus flauw gezegd: natuurlijk heb ik geen modeltrein staan op zolder, want ik heb geen zolder. Maar iedereen heeft bepaalde hobby’s, hobby’s voor op zolder. Hobby’s waarvan anderen denken: prima, maar niets voor mij, doe jij dat maar op je zolder. Hobby’s waar je jezelf uren mee zoek kan houden, bouwend aan iets dat misschien wel nooit het daglicht zal zien.

Zo’n hobby heb ik ook. Naast de hobby die ieder mens bijna heeft, zoals films kijken, muziek luisteren of een biertje drinken, heb ik nog een andere hobby. Zo’n zolderhobby. Een waarvan andere mensen denken: prima, doe jij dat maar op je zolder. Al vanaf dat ik een super klein meisje met blonde pijpenkrullen was, boog ik mij graag over het indelen van maatschappijen. Hoewel tekenen nooit mijn interesse heeft gewekt, was ik er dol op om een eiland te ‘ontwerpen’. Ik verdeelde het eiland in vlakken met een bepaalde functie zoals: school, akkerbouw en bos. Zo schepte ik kleine utopietjes. De informatie over de samenlevinkjes won ik door gesprekken aan te knopen met medescholieren. Helaas bleken de meeste gesprekken een monoloog.

Inmiddels teken ik geen eilandjes meer en is de monoloog vaker een dialoog, maar nog steeds binnen een bepaalde setting. De zolder is een ruimte geworden in The Florin in Utrecht waar de afdeling Utrecht van de Jonge Democraten iedere maandag gesprekken voert over de samenleving en hoe deze vormgegeven kan of zou moeten worden. Iedere week aan de hand van een ander onderwerp, iedere week in een andere vorm, iedere week eindigt het gesprek in een andere eilandschets. Hoewel het misschien een zolderhobby blijft, biedt de Jonge Democraten wel meer mogelijkheden op zoek te gaan naar hoe je de invulling van je eilandschetsen vertaalt naar een legenda die in het daglicht aannemelijk is voor iedereen. Door opinieartikelen te schrijven, door acties te voeren of… door campagne te voeren.

Na twee verkiezingscampagnes kregen de monologen bij mij echter weer de overhand. Hoewel ik nog wekelijks de gedeelde zolder bezocht, liet ik me leiden door de reacties op straat. Tijdens het flyeren en proberen gesprekken aan te knopen met familie, vrienden en kennissen over politiek, kreeg ik zo’n bak reacties dat ik liever weer op mijn zolder ging zitten. Logisch, ideeën vertalen naar een legenda, in het daglicht van een samenleving, levert discussie op. Ik begon weer met eilandjes tekenen en deelde deze keer de vlakken op, in hoe ik dacht dat mensen mij, als JD-er, zagen:

1 = Roze = Zij die het met me eens zijn

2 = Blauw = Zij die mij niet liberaal genoeg vinden

3 = Rood = Zij die mij een zakkenvuller en een landverrader vinden

4 = Groen = Zij die mij rechts vinden

5 = Paars = Zij die vinden dat ik ze spam en probeer te indoctrineren

6 = Geel = Zij die het niets interesseert

Een erg gezellig eiland leverde het niet op. Een zolderhobby is leuk, maar heeft wel daglicht nodig. Mijn deur zat echter op slot. Stampvoetend trok ik iedere avond weer naar mijn zolderkamer en ratelde daar wat af over iedereen daarbuiten, die vooral niet begreep dat het allemaal goed bedoelt was. Ironisch, iemand met een hobby die neerkomt op het actief uitoefenen van politieke invloed aan de hand van sociaal liberale idealen, wat alleen maar kan in de context van de samenleving, alleen op een zolder. Op zolder, waar het niets meer is dan een model maatschappij, waar je gedachten als treinen doorheen rijden en een station niet meer dan een idee is.

Het is misschien logisch dat het nooit super druk is bij een modeltreinwinkel, dat de mensen niet rond de winkel hangen om het te hebben over hun modeltreinen. Het is immers een echte zolderhobby. Men voert het in zijn eentje of met zijn tweeën uit, bouwt aan een wereld die niet per se daglicht nodig heeft en laat de treinen in cirkeltjes alle stations passeren. Mijn hobby is eigenlijk geen zolderhobby en door de Jonge Democraten krijgt het ook de kans veel meer te zijn, als ik zelf maar van de zolder afkom.

Na wat weken gevloek en getier, hadden een aantal mede JD-ers door, dat ik wat chagrijniger was dan normaal. Dat ik niet barstte van de ideeën en niet bij iedere flyer actie klaar stond ieder willekeurige persoon aan te spreken. Bij positief ingestelde mensen valt het al snel op als ze niet glimlachen. Ik werd ineens een pessimist genoemd en viel zo door het zolderluik. Daar, in het felle daglicht, met wat hoofdpijn van al het stof op zolder, schetste een aantal JD-ers de mogelijkheid van een ander eiland…

Volgende week in Deel 3 van deze Ode aan de Jonge Democraten: De definitie van ‘nee’

Advertenties